Onlangs werd ik op Twitter erop aangesproken dat ik wellicht niet (meer) geloofde in de “rechtsstaat”? Letterlijk: “Ik merk dat u geen enkel vertrouwen heeft in de rechtsstaat, klopt dat?” Op mijn wedervraag “wat verstaat U onder een rechtsstaat?” kwam het prompte antwoord: “Een rechtsstaat is een staat waar iedereen zich aan de geldende wetten moet houden.” Op mijn antwoord dat volgens deze definitie ook Noord-Korea een rechtsstaat is, vond de Twitteraar dat hij het meer in algemene zin bedoeld had en de discussie brak af. 

Dit was een korte uitwisseling tussen twee niet-rechtsgeleerden, waarvan er één overheidsgelovig en de ander een Libertariër is. Het feit dat de term “rechtsstaat” te pas en te onpas gebruikt wordt, niet in het minst door de uitgesproken verdedigers ervan, zoals de AIVD en de NCTV, deed me besluiten er wat dieper in te duiken. Met de disclaimer, dat ik geen rechtsgeleerde ben, wat mij in mijn denkwereld echter niet diskwalificeert, integendeel. Mijn persoonlijke mening over rechtsgeleerdheid is, dat het een sport voor Farizeeërs is: het Bijbelse adderengebroed. 630 Mozaïsche wetten konden met één leefregel: “bemin de ander als jezelf” worden “vervuld”. De tienduizenden huidige wetten van de complex gemaakte democratische rechtsstaat kunnen door twee Libertarische principes: zelfeigendom en non-agressie, worden vervuld.

Wanneer je rechtsgeleerden nodig hebt om recht te spreken of om rechtsbijstand te krijgen, dan heb je je doel als samenleving volkomen overschoten.

Nu dan. Zoek je de term “rechtsstaat” op, dan kom je op Wikipedia de volgende definitie tegen:

“Een rechtsstaat is een staat waarin de grondslag van statelijk gezag in het recht wordt gelegd en waarin de uitoefening van dit gezag in al zijn verschijningsvormen onder de heerschappij van het recht wordt geplaatst.”

Let op de woorden “statelijk gezag” en “heerschappij”. Die termen doen in de 21e eeuw archaïsch aan. De definitie komt uit het leerboek voor aankomende juristen “Beginselen van de democratische rechtsstaat” (2017) van hoogleraar staats- en administratief recht M.C Burkens (1934 – 2022), die in 1971 promoveerde op een proefschrift – laat het even tot je doordringen – getiteld: “Beperkingen van grondrechten”.

Droge kost?

Is je attention span (concentratievermogen) overschreden? Dat is normaal en misschien wel de bedoeling van zulke definities, want achter deze woorden ligt een mensen verachtende denkwereld verborgen. Enkele actuele illustraties bij deze stelling:

  • Als jij straks in Oekraïne als “dienstplichtige” je leven op het spel moet zetten, dan is dat het gevolg ervan dat jij in een “democratische rechtsstaat” leeft.
  • Als jij van staatswege gedwongen wordt je onderneming te sluiten, dan komt dat omdat je in een “democratische rechtsstaat” onderneemt.
  • Als jij straks bij de uitbraak van het door de Rotterdamse professor Rob Fouchier “verbeterde” vogelgriepvirus door de overheid gedwongen wordt in een hokje in quarantaine te gaan en er een plicht of een drang tot vaccineren komt, dan is dat een rechtstreeks gevolg van de beperking van jouw “grondwettelijk gegarandeerde rechten”.

De rechtvaardiging van beperkingen van grondrechten

Er is geen enkel individueel grondrecht in de Nederlandse Grondwet zonder beperkingsclausule. De beperkingsbevoegdheid is toegekend aan de wetgever, die democratisch door “het volk” gekozen is, en in Nederland boven de justitiële macht staat. Hoogleraar Burkens was zich zeer wel bewust hoezeer deze rechtsstaat op gespannen voet staat met de onvervreemdbare individuele vrijheden uit het natuurrecht, waarop de klassiek-liberalen rond John Locke zich beriepen. Ook het Liberalisme beroept zich van oudsher op het Natuurrecht, zie bijvoorbeeld Het Libertarische Sociaal Contract.

Burkens vond nog dat grondrechtsbeperkingen daarom aan algemene en gedefinieerde regels moesten zijn gebonden. Die zouden bijvoorbeeld moeten gaan over proportionaliteit en over het rekening houden met “maatschappelijke en persoonlijke belangen”. Bij de grondwetsherziening van 1983 werd dit door de commissie-Donner verwaterd en behalve algemeen geldige regels werd ook het interpretabele criterium “redelijkheid” ingevoerd. Vandaar dat regeringen die grondrechten van “hun” bevolking en “haar” burgers inperken, graag een beroep op de “redelijkheid” van hun ingrepen doen. De methodiek van beperkingen van grondrechten staat opnieuw in de publieke belangstelling, ook omdat de verschillende regeringen-Rutte er in verschillende dossiers inbreuk op maakten.

Een van de eerste beperkingen (van het grondrecht op eigendom) was de belastingplicht om geld in te zamelen dat nodig is om tenminste het apparaat te onderhouden dat de grondrechten beschermt tegen lieden en organisaties die daarop inbreuk maken. Dat is misschien nog wel het sterkste argument voor het heffen van belastingen. Echter, het is een vicieuze cirkelredenering geworden, want welke maatregel, welke wet, kun je niet terugvoeren op het “beschermen” van “grond”rechten? En aan die cirkel is het lastig om te ontkomen als je niet bereid bent om ook de belasting”plicht” zelf op zijn kop te zetten. Waarom “geloven” zo weinig mensen aan vrijwilligheid? Waarom krijg je slechts sarcastische opmerkingen dat je blijkbaar wereldvreemd bent wanneer je oppert dat je ook van de overheid waar voor je geld wil krijgen?

In vrijwel alle (ex-)monarchieën was het beschermende apparaat van oudsher een top-down gebeuren en werd de belastingplicht uitgebouwd tot het bestaansmiddel van een zichzelf niet beperkende maar voortwoekerende hofhouding van heersers, bestuurders, onderbestuurders en ambtenaren. Dit is de fundamentele libertaire kritiek op de “democratische rechtsstaat”.

Libertair perspectief: grondrechten zijn onvervreemdbaar

In het Libertarische gedachtegoed zijn grondrechten onvervreemdbaar. En toch kent ons gedachtegoed ook beperkingen van grondrechten, maar die beperkingen roept een individu over zichzelf af wanneer het de grondrechten van een ander schendt, oftewel wanneer iemand het Non-Agressie Principe breekt. Tegen zulke schendingen mag je je, volgens het natuurrecht – op een proportionele manier – verdedigen of laten verdedigen.

In een libertair-minarchistische samenleving zal er een apparaat worden onderhouden dat schendingen van het NAP actief vervolgt en compensatie afdwingt voor de gedane schade. Tegenover de anarcho-kapitalistische samenleving is het verschil dat je de compensatie voor aangedane schade zelf moet zoeken of een particuliere organisatie daarmee (tegen betaling) belast.

Hoe ziet een Libertarische Rechtsstaat uit?

Zeer recent heeft een werkgroep van de LP een begin gemaakt met het uitwerken van een blauwdruk voor een samenleving, die op Libertarische principes berust. Elke onderlinge overeenkomst berust op een contract. Wat in beginsel een handdruk is, om je wederzijdse instemming uit te drukken, kun je een “sociaal contract” aangaan. In plaats van het sociaal contract naar het model van Rousseau, waar Pieter Omtzigt over spreekt, en waarin het belang van het individu ondergeschikt is aan het algemeen belang, is het Libertarische Sociaal Contract een individuele verklaring, dat je je medemens geen schade wilt toebrengen.

In plaats van de hiërarchische samenleving (gebaseerd op hoger geplaatsten en onderdanen), voert het Libertaire gedachtegoed tot een “heterarchisch” georganiseerde samenleving (gebaseerd op naast elkaar handelende, gelijkgestelde en autonoom beslissende mondige individuen). Libertariërs kun je niet wijsmaken dat de huidige “democratische rechtsstaat” een rechtsstaat is. Het begrip is een fopspeen. Als er tienduizenden wetsartikelen nodig zijn om zulk een staat voor haar machthebbers in evenwicht te houden, dan heeft dat absoluut niets meer met recht te maken.

Hoe organiseer je dan een op het gelijkheidsbeginsel berustende (Libertarische) samenleving? Daarvoor heeft de werkgroep enkele uitgangspunten opgesteld en in de vorm van een “Libertarische Grondwet” samengevoegd. In de 8 artikelen staat niks in over een koning, niks over onderdanen en niks over een ambtenarenapparaat. In beginsel kunnen mensen zelf besluiten om een hiërarchische samenleving te bouwen – als ze daar nog voor voelen tenminste. Niks staat deze vrijheid in de weg, maar de Libertarische Grondwet staat niet toe, dat mensen anderen dwingen om aan hun soort samenleving deel te nemen. De LG staat toe dat zich parallelle modellen ontwikkelen die onderling in concurrentie staan. Je kunt daarom zelfs stellen dat de LG boven met elkaar concurrerende “grondwetten” staat; ze faciliteert – geweldloos – verscheidenheid in culturen en samenlevingsvormen.

Voor het opbouwen van een Libertarische samenleving is er eigenlijk niks anders nodig dan van onze medemensen te verlangen dat ze andersdenkenden respecteren in hun streven naar een samenleving die bij hen past. Het recht op “opting-out”, zonder naar Antarctica te moeten verhuizen. En ja, elke dwang en chantage vanuit de “democratische rechtsstaat” wijzen we af.